Dikkopbloedbij
Sphecodes monilicornis
Weinig behaarde zwarte bijen met een gedeeltelijk rood achterlijf.
Lengte: vr & m 7-10 mm
Buiten de zeeklei gebieden zeer algemeen.
Drachtplanten: allerlei planten.
Koekoeksbijen: in hoofdzaak groefbijen (Lasioglossum)
Volledige tekst
Foto's
Plaat
Mannetje
Kop vrouwtje foto Albert de wilde
 
 
 
 
 
 
 
Legenda bij kaartje
A Algemeen tot vrij algemeen per provincie of een groot gedeelte daarvan: meer dan 10 uurhokken verspreid
R Regionaal algemeen met 6-10 uur hokken
L Locaal of een kleine regio met 3-5 uur hokken
0 1-2 hokken. 0 symboliseert ook gebieden die misschien sterk onderbemonsterd zijn.
Het verspreidingskaartje is globaal. Het betreft waarnemingen na 1990. In hoofdzaak gebaseerd op het boek De Nederlandse bijen (Peeters et al., 2012)
De kaartjes zijn voorlopig; ze worden in de winter van 2015-2016 vervangen.
--
Weinig behaarde zwarte bijen met een gedeeltelijk rood achterlijf; kop aan de achterkant verdikt (kop achter de ogen weinig versmald) ; lijken veel op enkele andere soorten; is alleen met een binocuair goed te onderscheiden, maar dat lukt het beste als deze bij met de andere morfologisch verwante bijen kan worden verleken; 7-10 mm.
Vrouwtje: volgt later. Blüthen in Schmiedeknecht (1930) heeft wel een beschrijving: onder meer gezicht en ogen (van voren gezien) in het onderste deel (iets) verbreed; pygigium tamelijk breed (t.o.v.) de andere beschreven soorten.
Mannetje: volgt later
Vliegperiode: eind maart - eind september.
Habitat: in verband met de verschillende gastheren waar dikkopbloedbij parasiteert, zeer gevarieerd. Ook in verschillende stedelijk habitats zoals grasland, bermen, zomen van beplantingen en gronddepots.
Nesten en levenswijze: parasiteert bij groefbijen.
Bloembezoek: zeer uiteen lopend
Voorkomen in Nederland: Buiten de zeeklei gebieden zeer algemeen.
Koekoeksbijen: zie samenvatting.
Samenvatting Peeters, T.M.J., Raemakers, I. P., Smit, Jan: Sphecodes monilicomis is verspreid over het gehele land aangetroffen. Deze bloedbij is gekweekt uit de nesten van Lasioglossum malachurus (Legewie 1925) maar is ook aangetroffen bij andere soorten van de Lasioglossum calceatum-groep, zoals Lcalceatum en L albipes. Ook Halictus rubicundus zou volgens sommigen als gastheer kunnen optreden. Vegter (1993) noemt voor Drenthe tevens Lasioglossum prasinum als mogelijke gastheer. Meermaals is waargenomen dat vrouwtjes van S. monilicomis tijdens het binnendringen van nesten van L malachurum, individuen van hun gastheer doden (Legewie 1925, Sick et al. 1994). De stevig gebouwde kop van deze bloedbij is mogelijk een aanpassing om zich op een geweldadige manier toegang te verschaffen tot de be waakte nesten van sociale bijensoorten.
 
Dikkopbloedbij – Sphecodes monilicornis Terug
 
Dikkopbloedbij – Sphecodes monilicornis Terug
 
Dikkopbloedbij – Sphecodes monilicornis Terug
 
Dikkopbloedbij – Sphecodes monilicornis (vr)- (Foto Henk Wallays: http://tinyurl.com/7ptc4m9 ) Terug