Kauwende metselbij
Osmia leaiana
Vrouwtje met een zwakke metaalglans mannetje met duidelijk metaalglans.
Lengte: vr & m 8-10 mm.
Zeldzaam in de binnenlandse zandgronden.
Drachtplanten: composieten
Koekoeksbijen: tubebijen (Stelis)
Volledige tekst
Foto's
Plaat
Vrouwtje
Vrouwtje
 
 
 
 
Legenda bij kaartje
A Algemeen tot vrij algemeen per provincie of een groot gedeelte daarvan: meer dan 10 uurhokken verspreid
R Regionaal algemeen met 6-10 uur hokken
L Locaal of een kleine regio met 3-5 uur hokken
0 1-2 hokken. 0 symboliseert ook gebieden die misschien sterk onderbemonsterd zijn.
Het verspreidingskaartje is globaal. Het betreft waarnemingen na 1990. In hoofdzaak gebaseerd op het boek De Nederlandse bijen (Peeters et al., 2012)
De kaartjes zijn voorlopig; ze worden in de winter van 2015-2016 vervangen.
--
Vrouwtje: scopa roodachtig; clypeus afgeknot, in het midden twee bultjes; lichaam grijsgeelachtig behaard; middenveld propodeum glanzend; achterlijf zwart en met zwakke groene, metaalachtge zweem. Lengte 8-10 mm.
Mannetje: 7e tergiet met twee tanden op het eind; middenveld propodeum aan de basis met een brede en diepe groef, waarin grove dwarsribbels; eindrand 3e-5e tergiet met haarbandjes; achterste metatars iets voorbij het midden aan de voorrand met een tandje (meestal verborgen in de beharing); lichaam met groengouden metaalglans en roodbruin behaard. Lengte 8-10 mm.
Habitat: bosranden, zomen, ruigte en tuinen.
Vliegperiode: half mei - tweede helft van augustus.
Nesten: dode hole takken, rietstengels, rietdaken, koude kevergangen in dood hout, gaten in stenen; volgens Westrich 1989 maakt deze bij ook gebruik van kunstmatige nest gelegenheid: houtblokken en bamboestokjes met een nestingang van 5 mm. Voor nestmateriaal wordt gekauwd blad gebruikt. Hieraan ontleent deze bij zijn Nederlandse naam.
Bloembezoek: vliegt op soorten van de composietenfamilie, zoals (naar Westrich 1989): akkerdistel, speerdistel, knikkende distel, knoopkruid, klein streepzaad, gewoon biggenkruid, echt bitterkruid en verschillende havikskruiden. Als deze plantensoorten zijn algemeen tot vrij algemeen. De achteruitgang van deze bij kan sinds 1980 niet worden toegeschreven aan afwezigheid van de juiste drachtplanten, maar vermoedelijk veel meer aan het totale landschapsbeheer en het verdwijnen van nestgelegenheid.
Voorkomen in Nederland: zeldzaam in de binnenlandse zandgronden, elders zeer zeldzaam.
Samenvatting Peeters, T.M.J., Raemakers, I. P., Smit, Jan: )De mannetjes van Osmia leaiana zijn niet of nauwelijks van Osmia niveata te onderscheiden en worden vaak verward met O. caerulescens. Genitaalonderzoek biedt in dit laatste geval echter uitkomst. Vroeger was de soort vrij algemeen op de hogere gronden en langs de kust. Deze metselbij nestelt in holten in hout, holle takken en rietstengels. De wanden van de broedcellen en de sluitprop van het nest bestaan uit gekauwd plantemnateriaal. Het is een oligolectische soort die op composieten (Asteraceae) vliegt. Broedparasieten zijn de tubebijen Stelis phaeoptera en misschien ook S. punctulatissima en de knotswespen Sapyga clavicomis en S. quinquepunctata.

Kauwende metselbij - Osmia leaiana Terug
 
 
 
Kauwende metselbij (vr) - (Foto's Nigel Jones http://vc40insects.yolasite.com) --- Terug
   
Kauwende metselbij --- Terug